Troost in boeken

Het onverkavelde lapje grond dat de Toekomststraat van de buitenwereld afsneed was mijn steppe. De achtjarige ik sloop er onder de middagzon en op z’n Winnetous door het denkbeeldig kreupelhout. Verderop kraakte Eternal Flame uit een portatief (zo noemden we thuis een draagbare radio).

We spreken 1989. Het jaar waarin VTM voor het eerst de dag kleurt en de Fabeltjeskrant sierlijk ten grave wordt gedragen. Het waren zomers zonder einde, waarin ik met gepaste trots de tijdens m’n avonturen opgelopen schrammen op de knieën droeg.

Troost in boeken

Opgroeien ging zoals dat meestal gaat, moeilijk. Ik was de jongen die het laatst gekozen werd wanneer de kapiteins met hun voetbalspel verdeeldheid zaaiden over de speelplaats. Degene die liever z’n tijd sleet met weinig sacrale bezigheden als schrijven en tekenen in een omgeving waar ’s mans leven af leek te hangen van zijn traptechniek. Zij die sneuvelden op het betonnen veld kregen aanzien. De blessure als statussymbool. Ik stond erbij en keek ernaar.

Het was in diezelfde periode dat ik stilaan door begon te hebben wat de school met me van plan was: het kind uit het kind schoppen. Een Grote Mens van me maken. Het is ze natuurlijk nooit gelukt want ik had net als Peter Pan m’n blije gedachte: ’s avonds kon ik een boek openslaan en me warmen aan haar vuur. Ik vond troost in boeken.

Ik las over de witte walvis, over de jongen met zeven onmogelijke opdrachten, over de kat met de Bijbelse naam. Achteraf beschouwd lijkt m’n jeugd zo van verhalen doordrongen dat ze me doet denken aan dat moment tussen slapen en ontwaken waarin heel even alles mogelijk is. Of aan Marquez. Boeken vormden sleutels tot onontgonnen gebied in mijn kleine jongenshoofd. Ze trokken de verbeelding open die de school zo krampachtig trachtte te smoren met verplichte leerstof en gemiddelden waaraan je je te meten had. Boeken boden naast troost ook inzicht.

Het belang van jeugdliteratuur

Onlangs kreeg ik per toeval Het beste van Bumba in handen. Mijn kinderhart hikte. Er bestaat geen twijfel over dat de redactie nachtenlang vergaderd had om deze fraai vormgegeven best of met zorg samen te stellen, maar het leek nergens op. Het was een belediging voor het kind. Hapklare, van de band gerolde troep. Shitzooi.

Als prentenboekenmaker heb je het ongelooflijke privilege dat je werk een kostbare jeugdherinnering van een mens mag worden. Het maakt me dan ook boos dat dergelijke onzin over kinderen wordt uitgestrooid.

Onzin die kinderen beschouwt als niets meer dan een maakbare, infantiele doelgroep. Onzin die gelezen wordt. Je hoeft er niet eens voor naar de boekhandel. De supermarkt en het tankstation bieden ze aan. God weet, misschien krijg je die rommel straks nog gratis bij een pak kauwgomballen. Steeds minder mensen vinden hun weg naar de boekhandel. Tegelijk neemt de aandacht voor jeugdliteratuur gestaag af. Auteur Floortje Zwigtman schreef er een vlammend betoog over.

Maar ik weiger hier een klaagzang te beginnen, noch toe te geven aan de heersende wanhoop. Er zijn nog steeds lezers die het vuur opzoeken, die boeken lezen of voorlezen die prikkelen, uitdagen, confronteren, die troost in boeken vinden. Volgens mij bent u er zelfs eentje van.

Dit is een van m’n meest gelezen stukjes. Benieuwd naar de andere? Bekijk ze allemaal →

door

Kristof Devos (1981) maakt boeken voor kinderen van alle leeftijden over thema’s zoals troost, vriendschap en opkomen voor jezelf. Zijn werk wordt vaak omschreven als ingetogen of eigenzinnig. Vandaag vind je de boeken van Kristof in zes landen, waaronder China en de VS. Zijn illustraties werden tentoongesteld op verschillende internationale expo’s zoals het Nami Concours in Zuid-Korea en Maleisië. Het werk van Kristof werd meermaals bekroond. Zijn boek ‘Schim’ kreeg een White Raven Award van de Internationale Jugendbibliothek in München en recent ontving hij een Award of Excellence in de prestigieuze Commarts Competition.